Preface from Marcel Becker

Preface from: Marcel Becker, Ethiek van de digitale media, 2015

 

Follow the money! Deze aansporing is bekend uit films en wordt traditioneel gebruikt om zicht te krijgen op verborgen machten. Maar om de machtsverhoudingen in de hedendaagse informatiemaatschappij te begrijpen zou je moeten zeggen: Follow the information! Kamerleden vragen regelmatig, en terecht: beste minister, waar gaat het geld naartoe? De vraag die ze echter vaker moeten stellen is: minister, waar gaan de gegevens naartoe?

 

Eind 2014 hebben we gezien hoe de grote uitgevers van digitale leermiddelen niet alleen de persoonsgegevens van alle basisschoolleerlingen verzamelen, maar ook gegevens over hoe die leerlingen presteren bij iedere digitale leeroefening die ze maken. De publieke verontwaardiging hierover is groot. De school hoort een veilige omgeving te zijn waar de leerlingen zonder externe pottenkijkers kunnen oefenen, ook met digitale leermiddelen. Hoe goed of slecht ze het doen hoort alleen in dat afgeschermde domein zichtbaar te zijn.

 

Digitale gegevens zijn veel geld waard. Amerikaanse informatiegiganten als Google, Facebook, Amazon en Apple hebben dit donders goed begrepen. Google investeert in zelf rijdende auto’s, in Nest-thermostaten en in gratis Google Classroom, niet omdat dit bedrijf plotseling in verkeer, verwarming of onderwijs is geïnteresseerd, maar om nog directere toegang te krijgen tot gedetailleerde gegevens over ons gedrag. Die gedragsgegevens worden doorverkocht aan andere bedrijven, ten behoeve van advertenties en voor prijsdifferentiatie. In dit laatste geval wordt de prijs van een productafhankelijk gemaakt van wat van de koper bekend is. Een simpel voorbeeld uit de realiteit: wie met een Apple-computer een hotelkamer boekt, betaalt een hogere prijs.

 

De digitale wereld zit vol ethische kwesties, alleen al door de grote waarde die persoons- en gedragsgegevens hebben. Een liberaal vindt misschien dat mensen hun gegevens zelf maar moeten gaan verkopen. Een socialist zal prijsdifferentiatie misschien toejuichen, omdat de rijken dan meer moeten betalen. De traditionele Haagse politiek lijkt het onderwerp nog nauwelijks ontdekt te hebben. ‘De ontwikkelingen gaan zo snel.’ Inderdaad!

 

Maar dat mag geen argument zijn om de zaken maar op hun beloop te laten; voor je het weet staan we voor voldongen feiten. ‘Vrijheid hoort bij de digitale wereld, en politieke bemoeienis juist niet.’ Onzin! Ongebreidelde vrijheid levert altijd meer voordelen op voor degenen met veel geld (en veel gegevens!). Juist dat is een ethische kwestie die vraagt om sturing.

 

In het digitale domein wordt veel aan de keuze en instemming van de gebruiker overgelaten. Dat is een schijnoplossing. Niemand leest de ellenlange, onbegrijpelijke gebruiksovereenkomsten waar bedrijven zich achter verschuilen. In de niet-digitale wereld zijn we niet bang om bepaalde zaken te verbieden. Je eigen organen mag je niet verkopen. Dat is goedbeschouwd een vorm van betutteling en een beperking van de individuele vrijheid. Toch vinden we het verbod een vorm van beschaving, vooral omdat we niet willen dat arme mensen in een afhankelijke situatie geen andere keus zien dan hun organen te verkopen. Soms moet je mensen tegen zichzelf beschermen. Ook in de digitale wereld. Waarom zou je je organen niet mogen verkopen, maar je persoonlijke medische gegevens wel?

 

Aan banken hebben we een zorgplicht opgelegd. Wanneer mijn bank mij een slecht financieel product verkoopt, kan ik mijn bank aanklagen. In een situatie van grote kennisasymmetrie – de bank weet veel van financiële zaken en ik weinig – willen we niet dat die asymmetrie wordt uitgebuit. Deze situatie laat zich bijna rechtstreeks vertalen naar de digitale wereld. Bedrijven in de ict-sector weten veel van computers en van gegevensstromen, en hun klanten over het algemeen weinig. Ook hier is een zorgplicht op zijn plaats, ter bescherming van de zwakkere partij.

 

Wat doet de overheid? Die laat zich maar al te vaak voor het karretje spannen van ict-bedrijven die er een potje van maken. Ik doel niet alleen op de misstanden die de ict-commissie van Tweede Kamerlid Ton Elias naar voren heeft gebracht. Software is over het algemeen van beroerde kwaliteit, vol beveiligingsproblemen. In plaats van producenten en leveranciers daarop aan te spreken kiest de overheid ervoor de gebruikers meer bewust te maken. In het najaar van 2014 had de jaarlijkse Alert Online-campagne als thema awareness. Er kwam een goedbedoelde website: veiliginternetten.nl. De staat vol tips over wat ik noem: veilig rijden met een kapotte auto– terwijl er niet bij wordt gezegd dat de auto stuk is. De arme burger wordt verteld niet op onveilige links te klikken of op onveilige wifi-netwerken in te loggen. Wat hebben we daaraan als het probleem in de infrastructuur zit? Stel dat er auto’s in Nederland rondrijden waarvan de remmen het plotseling niet meer doen als je op een bepaald knopje drukt. Gaan we dan ook een awareness-campagne

beginnen? Leg verantwoordelijkheden bij die partijen die daadwerkelijk iets aan het probleem kunnen doen. E-mailproviders kunnen hun klanten bijvoorbeeld makkelijk alleen versleutelde toegang bieden, waardoor open netwerken minder gevaarlijk zijn.

 

Regulering van de digitale wereld is wel degelijk mogelijk. Een lichtend voorbeeld is de netneutraliteit, een regeling waarbij het Nederlandse parlement voorop heeft gelopen. Het Europese parlement heeft dit overgenomen en is ook van mening dat beheerders van netwerken alle gegevens gewoon moeten doorgeven. Zelfs Obama heeft de netneutraliteit inmiddels verdedigd. De Nederlands regering grijpt digitaal wel degelijk in, maar vooral in repressieve zin, via wetgeving over nieuwe bevoegdheden voor politie en inlichtingendiensten. Dergelijke bevoegdheden zijn zeker ook gericht op bescherming van het individu, maar bieden geen bescherming tegen data-graaien of wanpresteren. Durft men niet op te treden tegen de grote informatiegiganten? Of zijn hun lobbyisten gewoon te sterk?

 

Wie verdedigt de publieke zaak als het gaat om de onlinewereld? Laten we het allemaal maar aan de grote vrije jongens over, zodat we straks niet anders kunnen dan inloggen met een Facebook-account (met bijbehorende gegevensplundering)? Of worden we op tijd wakker en eisen we een open, transparante infrastructuur om digitaal veilig in te loggen, zonder dat alles getraceerd en gekoppeld wordt? De commerciële sector zal daar uit zichzelf niet snel voor zorgen. In de niet-digitale wereld verwachten we dat de overheid verantwoordelijk is voor een veilige, publiek toegankelijke infrastructuur, zoals het spoor en de snelwegen. Waarom in de digitale wereld dan niet?

 

Privacy is niet dood, zoals bedrijven met een duidelijk commercieel belang ons willen doen geloven. De grote baas van Facebook, Mark Zuckerberg, roept dat wel, maar heeft ondertussen alle huizen rondom zijn eigen huis opgekocht… jawel … omwille van zijn eigen privacy. Het essentiële punt van privacy is dat gegevens in context moeten worden gehouden. Wat we aan onze huisarts vertellen hoort niet op te duiken in de supermarkt. Mensen vinden het vanzelfsprekend dat hun bank veel weet van hun financiën, maar worden heel boos wanneer die gegevens in een andere context gebruikt worden (zoals de ing heeft ervaren). Net zo goed zijn mensen verontwaardigd wanneer de gegevens van hun kinderen uit de context van de school worden gehaald en bij commerciële uitgevers belanden. Deze context-afhankelijkheid van gegevens moet politiek worden begrepen en verdedigd, wederom, om burgers te beschermen en om een bepaald beschavingsniveau te bewerkstelligen.

 

Het gaat hier niet om beperking van de o zo heilige innovatie, maar om gezonde sturing daarvan. Bij de invoering van milieuwetten in de vorige eeuw werd ook geroepen dat de industrie kapot werd gemaakt, maar nu blinkt Nederland juist uit in innovatieve milieutechnologie. Privacy en gegevensbescherming moeten het nieuwe ‘groen’ worden, iets waarmee we vooroplopen en juist geld verdienen. Privacy protection is a license to do business. Belangrijk is dat bedrijven die digitaal zorgvuldig proberen te opereren worden gestimuleerd en dat de activiteiten van digitale cowboys aan banden worden gelegd, zodat sprake kan zijn van eerlijke concurrentie.

 

Het bovenstaande kan worden gelezen als een oproep aan de politiek om de digitale ontwikkelingen serieus te nemen, niet weg te lopen voor ethische kwesties en maatschappelijke verantwoordelijkheden, en de ontwikkelingen te reguleren en bij te sturen. Verondersteld wordt een ‘instrumentalistische’ visie, waarbij de technische ontwikkelingen welbewust ingebed worden in een breder moreel en maatschappelijk kader. Is dat realistisch? Zijn technische ontwikkelingen eigenlijk wel stuurbaar? In het begin van zijn lezenswaardige boek bespreekt Marcel Becker de twee fundamenteel verschillende benaderingen van de stuurbaarheid van techniek, namelijk de instrumentalistische (wel stuurbaar) en de deterministische (niet stuurbaar).

 

Vervolgens legt hij verbanden tussen digitale ontwikkelingenen klassieke filosofische theorieën. Dat leidt tot eenvoudige, actuele vragen als: zijn Facebook-vrienden ook vrienden volgens Aristoteles? Of: waarin ligt eigenlijk de waarde van iets wat je maakt of bedenkt (in de inspanning, of in de originaliteit) en waarom zou een ander daarvoor moeten betalen? Of: hoe moet privacy worden begrepen in een tijd waarin wij voortdurend digitale sporen achterlaten?

 

Het is Becker vooral te doen om het begrijpen en duiden van de digitale ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar. Juist nu de nieuwste gadgets, applicaties en gepersonaliseerde diensten over elkaar heen buitelen raken we snel gefascineerd of verblind en is er grote behoefte aan een helder zicht op de onderliggende thema’s. Dit boek voorziet in die behoefte. Door de hoge snelheid van de ontwikkelingen is er weinig tijd om afstand tot de materie te nemen. Dat wordt in dit boek ook niet gedaan. Integendeel, de vele actuele voorbeelden die in de tekst verwerkt zijn, tonen de onmiddellijke relevantie van de filosofische analyse. Ze houden de lezer bij de les.

 

Wat overblijft is de vraag of Becker niet alleen wil analyseren, maar ook tot maatschappelijke verandering wil aanzetten. Hij wijst zeker op misstanden, zoals hierboven scherp aangezet. Maar zijn boek is geen oproep aan politici om de misstanden daadkrachtig aan te pakken. Eerder richt Becker zich tot ons: ‘Dé manier om zich tegen de informatiemacht te wapenen is voortdurend alert te zijn.’ (zie p.86) Levert alleen alertheid voldoende tegenmacht? Mogelijk is Becker een deterministischer denker dan hij het in zijn evenwichtige analyse wil doen voorkomen.

 

Deze tekst is voorwoord van het boek Ethiek van de digitale media.

 

Bart Jacobs

06/09/15